Het is drie uur 's nachts. Ik lig klaarwakker in bed. Naast me ligt mijn vriend prinsheerlijk te tukken. Zijn langzame, zware ademhaling is olie op mijn vuur. Niets zo frustrerend voor de wakkerligger dan iemand ernaast die wél slaapt.
Thuis verkas ik in zo'n geval naar de logeerkamer. Maar dat gaat nu niet. We zijn een weekendje weg en liggen in een simpele hotelkamer. Mijn enige optie tot afzondering is mezelf in mijn dekbed op de koude badkamervloer opkrullen. Niet erg aanlokkelijk.
Een paar keer goed woelen en mijn vriend is wakker. Slaperig laat hij mijn wanhoop over zich heenkomen. En dan, zoals mannen dat doen, komt hij met een oplossing. "Laten we een stukje gaan wandelen, even uit je hoofd."
In stilte lopen we naar de achterkant van het hotel. Onze adem verdwijnt in fluimen de koude nacht in. Voor ons ontvouwt zich een uitgestrekt maisveld. Zachtjes ruist de wind door de hoge planten. Een vogelverschrikker heeft zijn stokarmen schuin de lucht in gestoken. De volle maan verlicht de knopen grimas op zijn jute hoofd.
We staan stil en kijken hiernaar. Zonder het uit te spreken weten we van elkaar dat we aan de film Signs staan te denken. In deze sciencefictionthriller ontdekken twee broers dat in de maisvelden achter hun huis kwaadaardige aliens ronddwalen. Na het zien van deze film is elk maisveld een potentiële moord
"Gaan we dit doen?" vraagt mijn vriend. "Tuurlijk," zeg ik ferm. Maar mijn lichaam verstijft als we het donkere, smalle pad tussen de dichtbegroeide velden betreden. De lichtbundel van onze iPhone-zaklamp danst over de planten. Onthult eigenlijk alleen maar meer donkerte tussen de bladeren door. Hier en daar klinkt geritsel. Mijn hartslag gaat omhoog. Je weet dat het niet kan. Maar toch. Wat als er straks wél ineens een alien voorbijschiet?
Het enige dat voorbijschiet, is een veldmuisje. In deze setting al genoeg om een gil te moeten onderdrukken. Terug in het hotel kruipen we weer in bed. Mijn vriend zakt vrijwel direct terug in zijn diepe slaap. Ik daarentegen staar stijf van de adrenaline het donker in.
Naast me klinkt die zware ademhaling weer. Ik pak mijn dekbed en sleep het achter me aan de badkamer in. Verlicht door een streep maanlicht staat daar het witte bad met het - gesloten - half doorschijnende douchegordijn. Ik sta stil en kijk ernaar. In mijn hoofd zwellen de snerpende tonen van de film Psycho aan.
Oh God. Deze nacht is echt verloren.
Deze column is gepubliceerd in de PS van het Parool van 21 nov. 2018.