Het NPO-fonds is een fonds dat per jaar 16 miljoen euro besteedt aan dramaproducties, documentaires en talentontwikkeling bij de publieke omroep. Als maker kun je, samen met een producent en een omroep, een aantal keer per jaar bij dit fonds geld voor een project aanvragen. Een commissie beoordeelt de aanvraag en bepaalt vervolgens of het project wel of niet geld krijgt toegewezen.
Afgelopen week heb ik een heel dik pakket bij het fonds ingeleverd. Het gaat om een kinderserie van acht afleveringen met de titel Kamp Koekieloekie. Vijf jaar heb ik eraan gewerkt. In die tijd hebben we al een aantal keer een aanvraag ingediend, maar steeds zonder succes. Keer op keer kwam er een rapport vol op- en aanmerkingen terug met als conclusie dat de potentie van het project nog niet uit de verf kwam.
Na elke afwijzing doorliep ik opnieuw dezelfde emotionele cyclus. Als eerste was daar opvlammende woede en totaal onbegrip: mijn ego dat met messteken was doorboord. Hoe kon de commissie niet hebben gezien dat dit werk uniek, vernieuwend en vooral briljant is? Waarom kreeg ik geen kans? Had ik zo onderhand niet bewezen dat ik kan schrijven?
Als ik na een aantal weken de hele indiening nog eens nalas, kwam het besef dat de commissie wellicht toch een punt had. Mijn werk was niet briljant. De verbolgenheid sloeg om in verslagenheid. Het idee dat ik het hele pakket, alle acht afleveringen, weer grondig moest gaan herschrijven sloeg al het leven uit me.
Een week of twee later klom ik dan toch weer in de pen. Vol hernieuwde energie en een rotsvast vertrouwen. Het was dan misschien nog niet briljant, maar bij de volgende indiening zou ik ervoor zorgen dat het dat wel was! Het zou tenslotte het beste worden dat ooit op de Nederlandse televisie te zien was. Vol hoop dat het dit keer zou lukken, werkte ik maandenlang naar een nieuwe indiening toe.
Er zit echter een limiet aan het aantal keren dat je een project mag indienen. En met de indiening van afgelopen week is deze limiet voor Kamp Koekieloekie bereikt. Het is nu dus erop of eronder. Bij toewijzing gaan we sowieso draaien. Bij afwijzing sterft het project een vroegtijdige dood en kan vijf jaar werk bij het oud papier worden gezet.
Het besef dat dit de laatste strohalm is, geeft me de grootste knoop in mijn maag die je maar kunt bedenken. Ook al kan het nu net zo goed wel toegewezen worden, de angst voor een definitieve afwijzing doet me wensen dat de uitslag nooit komt. Want zolang er geen uitslag komt, is er hoop. En hoop is het enige wat ik Kamp Koekieloekie nog kan bieden.
Deze column is gepubliceerd in de PS van het Parool van 30 jan. 2019.